Twee gegevensbladen naast elkaar. Het ene noemt een U-waarde van 0,99 en een lichtdoorlatendheid van 54 procent, het andere 0,92 en 42 procent. Welke plaat is beter? Die vraag is niet te beantwoorden zonder te weten waar de getallen bij horen, hoe ze gemeten zijn en wat er van overblijft zodra de plaat in een gevel of dak zit. Vier begrippen en drie voorbehouden maken het verschil tussen vergelijken en gokken.
Het antwoord in kort
De U-waarde is het warmteverlies door de plaat, in watt per vierkante meter per graad temperatuurverschil; lager is beter geïsoleerd. De lichtdoorlatendheid is het percentage zichtbaar licht dat erdoor komt; hoger is lichter. Die twee bewegen tegen elkaar in: elke extra wand in de plaat isoleert beter en houdt licht tegen. Beide waarden gelden voor de plaat, gemeten volgens een norm en op een proefstuk van een bepaalde maat, niet voor de gevel waarin de plaat komt. Vergelijk daarom alleen waarden van dezelfde tint, dezelfde norm en hetzelfde soort opbouw, en reken erop dat de gebouwde constructie ongunstiger uitkomt dan de kale plaat.
Vier getallen op één gegevensblad
De U-waarde in W/m2K zegt hoeveel warmte er per vierkante meter en per graad verschil doorheen gaat. De lichtdoorlatendheid in procenten zegt hoeveel zichtbaar licht er doorkomt. De zontoetredingsfactor, ook g-waarde genoemd, zegt hoeveel van de totale zonne-energie binnenkomt, dus licht en warmtestraling samen; die bepaalt of het achter de plaat warm wordt. De schaduwcoëfficiënt is dezelfde eigenschap uitgedrukt ten opzichte van gewoon vensterglas, en komt op gegevensbladen van de fabrikant voor als SC, naast de zontoetredingsfactor als SHGC.
Voor het heldere klikpaneel van 40 mm geeft de fabrikant bijvoorbeeld een lichtdoorlatendheid van 52 procent, een zontoetredingsfactor van 0,42 en een schaduwcoëfficiënt van 0,48. Wie alleen naar de eerste kijkt, mist dat er van de totale zonne-energie iets meer dan veertig procent binnenkomt, en dat is het getal dat bepaalt of een hal in juli te warm wordt.
De ruil: isolatie tegen licht
Meer wanden in de plaat betekent meer luchtlagen, dus minder warmteverlies, en tegelijk meer materiaal en meer grensvlakken, dus minder licht. Dat is geen keuze van de fabrikant maar natuurkunde. De verhouding is goed te zien als de plaatwaarden onder elkaar staan:
| Plaat | U-waarde (W/m2K) | Lichtdoorlatendheid, helder |
|---|---|---|
| Kanaalplaat 16 mm, X-structuur | 2,0 | 66 procent |
| Kanaalplaat 16 mm, zevenwandig | 1,78 | 64 procent |
| Kanaalplaat 32 mm, negenwandig | 1,2 | 57 procent |
| Klikpaneel 40 mm, tienwandig | 0,99 | 52 procent |
| Klikpaneel 40 mm, veertienwandig | 0,92 | 42 procent |
| Klikpaneel 60 mm, veertienwandig | 0,69 | 40 procent |
Tussen de bovenste en de onderste regel gaat de isolatie bijna drie keer zo goed en zakt het licht met ruim een kwart. Dat is de hele afweging in twee kolommen.
Tint telt zwaarder dan gedacht
Bij hetzelfde paneel scheelt de tint meer dan een paar procent. Het veertienwandige paneel van 40 mm haalt 42 procent lichtdoorlatendheid in neutraal gesatineerd en 27 procent in opaal, bij een zontoetredingsfactor van respectievelijk 47 en 36 procent. Bij het paneel van 60 mm is dat 40 tegenover 29 procent licht, bij 40 en 36 procent zonne-energie. Opaal levert dus fors licht in, maar houdt de zonnewarmte beter tegen en spreidt het licht: de zon concentreert zich niet op één plek, waardoor er geen felle vlek over de vloer trekt en het binnen gelijkmatig licht is. In een winkel, een sporthal of een stal weegt die gelijkmatigheid vaak zwaarder dan een hoger percentage.
Enkel of dubbel: het getal dat de meeste mensen verrast
Bij een gevelsysteem kan hetzelfde paneel enkel of dubbel worden toegepast, en dat halveert beide waarden vrijwel precies. Het 40 mm paneel gaat van 0,99 naar 0,49 W/m2K, en de lichtdoorlatendheid van 52 naar 27 procent. Het 16 mm systeem gaat van 1,78 naar 0,88 W/m2K en van 64 naar 41 procent licht. Wie op isolatie stuurt en het lichtvlak niet vergroot, komt zo in een donkere hal terecht. De juiste volgorde is: eerst bepalen hoeveel licht er binnen moet komen, dan de opbouw kiezen die daarbij de laagste U-waarde geeft.
Waar de fabriekswaarde bij hoort
Een U-waarde is geen eigenschap die los in de lucht hangt. Ze wordt bepaald volgens een norm, op een proefstuk van een bepaalde maat, in een bepaalde opbouw. De veertienwandige klikpanelen worden opgegeven volgens UNI EN 16153:2015. Bij branddeuren is het nog explicieter: de fabrikant rekent de thermische transmittantie volgens EN ISO 10077-1 op proefstukken van 1,23 x 2,18 meter voor oppervlakken tot 3,6 vierkante meter en 2,00 x 2,18 meter daarboven, en zegt erbij dat de opgegeven waarden alleen gelden bij een opgesomde opbouw: het standaardkozijn met muurankers en mortel of met schroeven en pluggen, of het omklemmende kozijn voor lichte wanden, met isolatie van het kozijn, met rubbers rondom en met de bijbehorende valdorpel. Verandert er iets in die opbouw, dan vervalt de waarde.
Dat is precies de reden waarom een plaatwaarde en een systeemwaarde uit elkaar lopen. Een gevel bestaat niet alleen uit paneel: er zitten profielen, ankers en aansluitingen in, en die geleiden warmte beter dan het paneel ertussen. Voor het 32 mm profielsysteem uit ons eigen programma wordt daarom een bereik opgegeven, 1,2 tot 1,4 W/m2K, en niet één getal.
Twee zorgen die geen zorg zijn
Ventilerende tape aan de onderzijde van een kanaalplaat lijkt haaks te staan op isoleren, maar de fabrikant stelt uitdrukkelijk dat de luchtbeweging door die tape de isolatiewaarde niet verlaagt; ze voorkomt condens en algen in de kanalen. En de opgegeven lichtdoorlatendheid is een waarde voor de nieuwe plaat: vervuiling aan de buitenzijde en vocht in de kanalen kosten licht, en zijn met periodiek reinigen en de juiste tapes te voorkomen, niet met een dikkere plaat.
Zo vergelijk je twee gegevensbladen
Kijk eerst of het om dezelfde tint gaat, want helder en opaal schelen bij hetzelfde paneel tot vijftien procentpunten. Kijk daarna of de dikte en het aantal wanden erbij staan, want 40 mm tienwandig en 40 mm veertienwandig zijn twee verschillende producten met dezelfde dikte. Kijk of er een norm bij staat. Kijk of het getal bij de plaat hoort of bij een compleet systeem. En kijk of de zontoetredingsfactor erbij staat: zonder dat getal is niet te zeggen of de ruimte achter het lichtvlak warm wordt.
Keuzeblok
Verwarmde hal of bedrijfsruimte waar de energierekening telt. Zwaartepunt op de U-waarde: veertienwandig 40 of 60 mm, en het lichtvlak groter maken om het lichtverlies op te vangen.
Onverwarmde loods, carport of overkapping. De U-waarde doet er weinig toe; kies op licht, sterkte en overspanning. Een 16 mm plaat volstaat.
Stal of kas. Zontoetredingsfactor en verstrooiing wegen het zwaarst, samen met condensbeheersing. Opaal of een warmtewerende uitvoering, en let op de gelijkmatigheid van het licht.
Sporthal, winkel of werkplaats. Verstrooid licht zonder felle vlekken: opaal of een lichtverstrooiende tint, en de zontoetredingsfactor laag genoeg houden om oververhitting te voorkomen.
Renovatie van een bestaande lichtstraat. Vergelijk de bestaande plaatdikte met de nieuwe en reken met het systeem, niet met de plaat; het bestaande profiel bepaalt vaak wat er past.
Wat er misgaat bij een verkeerde vergelijking
De lichtdoorlatendheid van een heldere plaat naast de U-waarde van een opale leggen en denken dat het over hetzelfde product gaat. Twee panelen van dezelfde dikte vergelijken zonder naar het aantal wanden te kijken. Een plaatwaarde in een berekening voor de hele gevel invullen en achteraf een tegenvallende meting krijgen. Op isolatie sturen tot het binnen donker is, waarna er kunstlicht bij moet en de winst weg is. En een dak kiezen op lichtdoorlatendheid alleen, waarna de ruimte in de zomer te warm wordt omdat de zontoetredingsfactor nooit is bekeken.
Verder lezen
De volledige fabriekswaarden per dikte en structuur staan in polycarbonaat kanaalplaat kiezen, de warmtewerende uitvoeringen in warmtewerend polycarbonaat kiezen. Over condens en de tapes: condens onder lichtplaten voorkomen. De platen en panelen zelf staan onder polycarbonaat, de systemen op montagesystemen. Voor een berekening met de werkelijke opbouw van een gevel of dak: stuur de maten en de gewenste opbouw mee met de offerteaanvraag.
